Nel Vellekoop • 16-08-1930
Op 1 april 2026 ga ik op bezoek bij Nel Vellekoop uit Naaldwijk (gemeente Westland). Zij vertelt mij dat ze is geboren in Honselersdijk op 16 augustus 1930 en op het moment van schrijven heeft zij de leeftijd van 95 jaar.
Haar vader komt uit Rotterdam en haar moeder komt uit Honselersdijk. Haar vader ging in de kost bij haar moeder vanwege werk; hij was gevelvoeger. Zij hebben een relatie gekregen en zijn getrouwd. Heel veel details weet Nel niet van haar ouders, want ze vertelt me dat er vroeger niet veel werd gepraat. Ook krijgt haar moeder TBC waardoor ze niet meer voor haar kan zorgen en ze voor een aantal jaren bij pleegouders komt te wonen. Ze weet veel over haar eigen belevingen. Nel heeft één broer die 6 jaar ouder was, hij is verongelukt op zijn vijftigste.
Nel was 10 jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon. Ze vertelt me dat ze alles nog weet en dat mensen om haar heen het gek vinden dat ze geen trauma heeft. Maar ze lacht en zegt: “Die moet ik hebben maar ik heb ‘m nie. Ik herinner het me wel, maar ik heb er verschrikkelijk veel van geleerd, heel erg veel. Hoe het leven toen was en nu, het verschil. En nou ben je altijd dankbaar… Wat je toen niet had en nu wel; te eten, onderdak, enzovoorts. Dat hadden we niet.”
Ik vraag aan haar wat ze merkte aan het leven, hoe het veranderde naarmate de oorlog dichterbij kwam.
“Eerst waren er de jaren van 1930 tot 1940 waarin er een spanning heerste. Duitsland wilde Nederland toen al inlijven.”
Toen de oorlog eenmaal uitbrak, liepen de soldaten door de straten zei haar vader: “En nou gaat het fout!” Hij wist dat er een verschrikkelijke tijd aan zou komen. Het nieuwe leven begon. Langzamerhand veranderden er dingen. De scholen werden gesloten want de Duitsers hadden deze ingenomen. Ze werden ingepikt om er in te wonen en te slapen. Tot haar tiende is ze naar school gegaan en daarna niet meer. Stapsgewijs konden er steeds meer dingen niet en kwamen er steeds meer beperkingen. Iedere keer was er minder eten, was er meer angst, deden ze meer gemene dingen.

Ik vraag haar of ze een keer een concrete confrontatie heeft gehad met de Duitsers. Ze vertelt me dat ze iets heel naars heeft meegemaakt. Ze had een vriendje die heette Jopie. Ze liep daar altijd mee naar school en zijn vader zat in het Verzet. Op een dag liepen ze naar school en sprak een Duitser hem aan. Hij vroeg hem waar zijn vader zat. Jopie zei dat hij het niet wist. “En toen schoten ze hem dood, zo naast me. Ik liep gewoon naar school…”
Het greep haar aan, maar de toestand was zo. Het sloop erin dat dit “normaal” werd. Als kind zijnde ben je machteloos. Je ging door met je leven en dat heeft Nel ook geleerd van de oorlog; “En dat hebbie ook geleerd. Doorgaan, met verdriet, met wanhoop, met angst. En dat ken je nooit begrijpen als je het niet meegemaakt heb.”
Ik vraag of ze hier verdriet van heeft, maar ze geeft aan van niet en dat ze er alleen maar vreselijk veel van heeft geleerd. “Dat het ook vreselijk fout kan gaan in het leven en dat je geen baas meer bent over je eigen leven.” Ik vraag haar ook of ze hier dan harder van is geworden. “Nee, het leven kan ook zo verlopen. Je bent ontzettend sterk als mens.” Ze heeft er veel veerkracht door verkregen.
Ik vind het erg knap hoe mevrouw in het leven staat en dat ze zich makkelijk kan aanpassen aan hoe de situatie is. Ook nu dat ze ouder wordt en dingen moet inleveren zoals op zelfstandigheid.
Nel vertelt over haar broer die 6 jaar ouder was als zij. Hij was 16 in de oorlog en moest ook onderduiken. Met deze leeftijd moest je in het leger naar Duitsland en dat wilde hij niet. Nel wist destijds niet waar haar broer verbleef. Nel was toen 10 jaar en op een gegeven moment kwamen de Duitsers naar hun huis om hem te zoeken, maar hij was er niet. Nel was kaal geknipt omdat ze luizen had en de Duitsers dachten dat zij een jongen was. Ze werd met geweren gepord en uit bed gesjord maar haar vader zei: “Van die meid blijf je af!” Dat moment is Nel erg bijgebleven omdat het zo’n indruk maakte dat de Duitsers haar bijna mee wilden nemen. Van haar broer weet ze niet hoe hij die tijd heeft beleefd, omdat ze er vroeger nooit over spraken.
Tijdens de oorlog was er bijna niks te eten. Dit gebied was spergebied dus er kwam nagenoeg niks binnen. Ze vertelt me dat ze dan bijvoorbeeld wel eens een bloemkoolstronk te eten kreeg. “Je had op slot geen honger meer en raakte er aan gewend. Je raakte aan alles gewend, we hadden geen licht, we hadden geen gas, geen verwarming, geen eten, niks.” Ze is nu heel dankbaar dat je een heel brood kunt halen bij de bakker en dat ze hem dan ook tot het korstje opeet. Ze heeft in de oorlog uren met voedselbonnen in de rij gestaan voor een halfje brood.
Ze heeft wel vreselijke angsten meegemaakt van bombardementen op Rotterdam en Den Haag. Bij de bombardementen op Den Haag was zij onderweg naar een gezin waar ze op een baby ging passen. Ze kreeg daar te eten maar het bleef bij een aardappel met wat heet water. Ze vond het heerlijk dat ze dat kreeg. Maar wat ze toch ook stiekem deed, ze hadden daar een baby, dus melk en graan, was het eten van de baby op eten. Ze lacht er een beetje bij: “De ene keer gaf ik het bordje pap aan de baby en de andere keer at ik het zelf op. Je had zo’n vreselijke honger dat ik het eigenlijk pikte van de baby.”
Nog iets waar Nel doodsbang voor was, is dat ze een V1 (vliegende bom) in de tuin hadden gezet. Als deze was afgegaan waren ze er allemaal niet meer geweest, dus ze kon er nooit van slapen. Elke keer als deze werd afgevuurd stond ze doodsangsten uit. Daardoor herinnert ze zich ook dat ze ’s nachts onder een gestikte deken van lappen lag waar gewoon ijs in zat, zo koud was het in huis. Op de ramen zat ijs, op de vaatdoeken zat ijs. Ze vind het heerlijk dat ze nu gewoon de verwarming kan aanzetten.
Tijdens de oorlog was er een moment dat Nel met haar vader naar de kerk was. Ze waren aan het schieten met granaten. Toen zij terug thuis kwamen was er één granaat ontploft op hun huis en hadden ze geen onderdak meer. Een eindje verder was er een oud huisje, een soort boerenschuur met alleen een keuken en verder niks, en dat stond leeg. Daar zijn ze in gegaan, maar daar liepen allemaal grote ratten. “Maar je was blij dat je onderdak had.” Eén keer had een rat haar moeders schort opgegeten. Ze lacht en zegt: “Dat vergeet ik nooit meer. We werden ’s ochtends wakker en toen was d’r schort weg. Alleen nog een paar vodden over.” Als ze niet kan slapen dan denkt ze aan dat huisje, dat ze daar toen zaten.
Ik vraag haar hoe de tijd na de oorlog was, maar er was nog steeds honger, kou en narigheid.
Ze weet nog goed toen Nederland bevrijd was, ze was toen 15 jaar oud, dat de Duitsers nog gewoon door de straten liepen en dat de Hollandse meiden met de Duitsers meegingen, omdat zij nog een beetje te eten voor ze hadden. Ze weet ook nog goed dat er tijdens het bevrijdingsfeest Duitsers in een grote verhuizer klommen en alsnog Nederlanders doodschoten omdat ze zo boos waren dat ze de oorlog verloren hadden.
Na de oorlog kregen ze het beter, maar dat duurde nog jaren.
Na de oorlog leert Nel haar toekomstige man kennen, ze grapt: “Dat is nog een heel verhaal hoor.” Er waren heel veel Nederlandse jongens die de oorlog niet hadden overleefd, maar diegenen die de oorlog wel hadden overleefd werden naar Indonesië gestuurd om daar soldaat te zijn.
In die tijd was Nel uit huis om verpleegster te worden, zelfstandig. Ze zat in de kraamzorg. Op een dag kwam ze een keer uit een laantje fietsen en kwam ze in botsing met een man. Ze vond het een verschrikkelijke vent. Ze kende hem niet, maar ze werd achterop zijn fiets naar huis gebracht, haar kleren nog onder het bloed van het werk in de kraamzorg. Ze was boos op hem.
Op een gegeven moment zei haar moeder: “Er staat hier elke keer een jongen op het bruggetje bij ons huis.” Nel ging kijken en ze zag dat het die “engerd” was die haar had aangereden. De jongen zei: “Maak je maar niet druk want ik trouw met je.” Ze moest nog steeds niks van hem weten want ze had heel leuk werk.
Hij bleef maar verschijnen op het bruggetje en op een gegeven moment zei haar moeder in de winter: “Haal hem maar naar binnen die jongen want het is veel te koud.” “Hij zat koffie te drinken, geen echte koffie hoor want na de oorlog is het nog 3 jaar echt armoede geweest.” En vertelde onder andere dat hij daarvoor 3 jaar in Indonesië had gezeten. Toen dacht ze, hij is toch best aardig.
In oktober 1952 zijn ze getrouwd en hebben in 1953 hun eerste zoon gekregen. Een tweede zoon volgt. Inmiddels heeft Nel al één zoon en twee schoondochters verloren. Ze is al veel mensen kwijtgeraakt, waaronder goede vriendinnen. Ze gaat niet meer begrafenissen grapt ze: “Ik kan wel blijven lopen.”
We nemen even pauze en drinken een bakkie.
Na de kleine onderbreking praat Nel nog over dat ze samen met haar man terug naar Indonesië is gegaan. Ze vond er weinig aan, maar deed het voor haar man, voor de verwerking. “Hij heeft de hele dag bij een brug gezeten en nagedacht.” Schijnbaar heeft het geholpen, waar andere kennissen spijt hadden dat ze niet zijn teruggegaan.





























































laat een reactie achter