Bruiloft Richard en Donna
Bruiloft Richard en Donna
Bruiloft Sjors en Winnie
Bruiloft Sjors en Winnie
Bruiloft Joris en Denise
Bruiloft Joris en Denise
Bruiloft Gerrit en Hanneke
Bruiloft Gerrit en Hanneke
Bruiloft Robbert en Laura
Bruiloft Robbert en Laura
Bruiloft Con en Pauline
Bruiloft Con en Pauline
Bruiloft Berry en Sharon
Bruiloft Berry en Sharon
Bruiloft Jeffrey en Purdy
Bruiloft Jeffrey en Purdy
Bruiloft Martijn en Angelica
Bruiloft Martijn en Angelica
Bruiloft Agnes en Anna
Bruiloft Agnes en Anna
Bruiloft Christian en Guusje
Bruiloft Christian en Guusje
Bruiloft Roger en Janet
Bruiloft Roger en Janet
  • Home
  • Diensten
    • Familieshoot
    • Loveshoot / zwangerschap
    • Trouwreportage
    • Feest / receptie
    • Portret
    • Bedrijven / product
    • Afscheidsfotografie
  • Portfolio
  • Blog
  • Klanten
    • Klanten login
  • Wie is Miranda
  • Prijzen
  • Contact
  • Home
  • Diensten
    • Familieshoot
    • Loveshoot / zwangerschap
    • Trouwreportage
    • Feest / receptie
    • Portret
    • Bedrijven / product
    • Afscheidsfotografie
  • Portfolio
  • Blog
  • Klanten
    • Klanten login
  • Wie is Miranda
  • Prijzen
  • Contact
Over de Tweede Wereldoorlog: Maar van Wijk
3 april 2026 door  Miranda met  1 reactie
in  Alle  /  Ervaringen

Maar van Wijk • 03-11-1938

Op 3 april 2026 ga ik op bezoek bij Maar van Wijk uit Veen (gemeente Altena). Hij vertelt mij dat hij is geboren in Veen op 3 november 1938 en op het moment van schrijven heeft hij de leeftijd van 87 jaar.

Maar is net voor de Tweede Wereldoorlog geboren, zo’n anderhalf jaar ervoor, dus van het begin van de oorlog weet hij niet veel meer. De oorlog heeft vijf jaar geduurd, dus hij was tegen het einde daarvan zes en een half jaar oud. Destijds ging je rond die leeftijd naar de lagere school, net na de oorlog ging hij daar voor het eerst naartoe.

In de oorlog hebben Maar en zijn familie veel meegemaakt, maar in dit interview spreken we over zes verschillende verhalen die tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden. 

Maar is de derde van elf kinderen uit het gezin van Wijk. Zijn vader had net een nieuw huis laten bouwen en in de zomer van 1938 zijn ze daar gaan wonen. Dat kostte toen enkele honderden guldens.


Evacuatie
Rond 1944 moesten ze evacueren omdat ze zich precies in de frontlinie bevonden. “We zaten precies tussen de oude en de nieuwe Maas.” Ze evacueerden midden in de nacht. Zijn vader had nog een hondenkar waar ze wat spullen op hadden geladen. Ze zijn toen verhuisd van Veen naar Wijk en Aalburg. Daar woonde de oma van Maar (van moederskant) en zijn ze daar ingetrokken. Ze hebben daar een tijdje gewoond totdat het weer wat rustiger werd. Rond de bevrijding zijn ze weer teruggegaan naar hun eigen woning in Veen. Met de spullen weer op de hondenkar gingen ze weer terug. Al die tijd dat ze weg waren, woonden er Duitsers in hun huis. Net voordat ze terug waren, hadden de Duitsers alle ramen kapot geslagen en hebben ze het huis zo achtergelaten. “Dan moe je bedenken, mijn vader had daar een nieuw huis gebouwd in 1938 en dan, ik denk in 1945, komt ie daar in z’n nieuwe huis en er stond geen glas meer in!”

Toen zij bij de oma van Maar inwoonden hadden ze geen waterleiding of pomp. Ze moesten water halen uit de Maas. En aan de Maas moesten ze ook gaan wassen. “Als wij om een glaasje water vroegen dan stond er een emmer en een glas klaar. Er moest dan van bovenaf water uit de emmer geschept worden, je mocht het niet roeren anders kwam het bezinksel omhoog. En toch oud geworden, want nu hoef je dat niet meer te doen.”

Maar bladert af en toe door een boek om hem te helpen herinneren aan personen en gebeurtenissen.


Dirk Nieuwkoop
Maar kan zich ook nog goed herinneren dat er in de tussentijd bij de opa van Maar een dochter was ingetrouwd, met een man genaamd Dirk Nieuwkoop. Dit speelde zich af in 1945 en deze man was toen 32 jaar.


“Die woonden in een boerderijtje met een stalletje vee en wat landbouw en dergelijke. Die boertjes waren allemaal zelfvoorzienend, die hadden bijna niemand nodig zeg maar. Hij had ook nog een appel- en een perendrogerij. Dan werden er appels geschild en gedroogd om te kunnen bewaren voor de winter. Vroeger had je geen mogelijkheid tot koeling. Die droge appels werden weer van zolder afgehaald en in het water gezet, dan zwollen ze weer en dan deden we er bruine bonen bij en dan at je appel met bonen.”

“Die hadden daar dus hun gemengde bedrijfje. Die Dirk Nieuwkoop die daar bij ingetrouwd was, die had een paard. En toen kwam er een Duitser en die eiste dat paard op, met wagen, met hem. Want dan moest er munitie gebracht worden. Dat kwam aan per schip, bij de Bol, want we zaten direct aan het water. En dan moest die munitie bijvoorbeeld gebracht worden in Heusden of in Woudrichem. Want daar hadden ze dan alle materialen staan om oorlog te voeren. En dan van tijd tot tijd, want er werd veel munitie verschoten, dan moest hij daar naartoe rijden. En dat had hij geweigerd. Dat deed ie niet. Dus er was wat ongenoegen, want hij had die Duitser de laan uit gestuurd: “Zorg dat je wegkomt.”

“En in korte tijd, is er ’s nachts, toen was er ook veel beschieting en zijn er meer mensen getroffen door scherven van granaten. Daar vlakbij in de buurt is ook nog een man omgekomen, die zat in zijn stoel zoals ik hier zit en die had een zoontje van vier jaar op zijn schoot. En dat was in de nacht, dus iedereen was nog in de kleren. En door een scherf getroffen, door het dak heen en vader en kind, alle twee weg, in diezelfde nacht. Januari 1945*.”

“En toen in diezelfde nacht, een erg onrustige nacht. Toen bij mijn opa dan in dat boerderijtje en waar zijn dochter ook in zat en inmiddels hadden die twee kinderen. Die lagen voor in huis te slapen op de grond, want die beseften niet wat er aan de hand was. Zij hadden ook nog evacuees in huis, van Dirk, zijn vader en zijn broer en zijn zuster. En die waren allemaal nog in de kleren, de hele nacht. En dan wordt er op de deur gebonsd. En dan staat er een Duitser met een aanhanger, die staat daar voor de deur en die kwam naar binnen toe. “Wat is er aan de hand?” “Ja, we moeten Dirk Nieuwkoop hebben.” Ze moesten allemaal tegen de muur gaan staan in de rondte. “Waar is Dirk Nieuwkoop?” “Dirk die is ziek en die ligt voor in de kamer in de bedstee en die kan niet hier zijn.” Want hun waren vanwege de nood allemaal in de kleren aanwezig, maar hij was zo ziek dat ie dat niet kon. Hij moest op bed blijven. Toen zei die Duitser: Dan gaan we daar wel naartoe hè.” En toen zijn ze daar naartoe gegaan en toen lagen die twee kinderen daar voor die bedstee te slapen, maar die zijn toen wel wakker geworden natuurlijk. En ze hoorden wat gepraat en korte tijd later horen ze schieten. En toen schoten ze Dirk Nieuwkoop dood in de bedstee. Dus dat is wat geweest daarzo… En dat is dus kort voor de bevrijding geweest.”

Mijn stiefvader, Dik van Wijk, geb. 23 december 1955 en de jongste broer van Maar, is naar hem vernoemd. Hij is er nu ook bij om naar de verhalen te luisteren.

* Er wordt 1944 genoemd in het interview, maar dit heeft in werkelijkheid plaatsgevonden in januari van 1945.


“En ik weet nog bij mijn moeder in de Wielstraat, daar stond ook een vrijstaand huis en daar zat een zus van haar in. Dus dat waren twee zussen die naast elkaar woonden, de zus van ons moeder. En die hadden kinderen. En er was een kind gestorven, ik denk aan TBC. En die moest begraven worden, maar toen kon je niet naar het kerkhof toe om dat kind te begraven vanwege de beschietingen die er waren, vanaf Heusden vandaan naar de andere kant van de Maas. En een klein stuk voorbij de Maas, daar lag ook weer de Waal en dat waren dus echt stukken waar de oorlog op z’n hevigst uitgevochten werd. Maar dat weet ik nog omdat mijn moeder klaagde: “Och, het is toch wat, want ze kunnen dat kind, Eiltje, die kunnen ze nog niet eens gaan begraven.”

Maar heeft eigenlijk nooit heftige dingen gezien omdat hij nog zo jong was. Maar de verhalen die hij verteld, hebben zo’n indruk op hem gemaakt dat ze hem altijd zijn bijgebleven. Hij is vrijwilliger van het Oorlogsmuseum Altena in Wijk en Aalburg en hij gaat ook langs bij scholen om zijn verhalen te vertellen.


Hij weet nog goed van horen zeggen: “We woonden natuurlijk vlakbij het huis waar Dirk Nieuwkoop woonde, dat mijn vader thuiskwam en kwam vertellen, tegen mijn moeder: “En nou is er toch wat gebeurd, bij Drien, zo heette mijn tante, hebben ze Dirk toch vannacht doodgeschoten.” Dat weet ik nog, dat ie dat vertelde. Dat maakte zo’n indruk. Dat hoorde ik toen, maar je besefte eigenlijk niet wat er was. Maar dat heeft zo diep ingeslagen, dat ik dat nou nog precies weet.”

Dik: “Maar je weet nog wel van na de oorlog, van de NSB’ers dat ze die…”

Vier huizen in de Wielstraat
“Bij ons in de Wielstraat waren er in de jaren ’30 links twee huizen en rechts twee huizen gebouwd. Wij woonden aan de rechterkant, maar er stonden vier huizen. Dus de oorlog die was afgelopen en Veen was best wel rijk aan foute, verkeerde mensen, NSB’ers. En van die vier huizen was er maar één die geen NSB’er was. En dat was mijn vader. En toen was de oorlog afgelopen en toen kwam er een vrachtauto, die komt NSB’ers opladen. Maar ik wist nog niet zo goed wat dat allemaal inhield. Er lag een stukje land naast ons huis en daar was mijn vader bezig en ik was hem aan het helpen daarzo. En daar stopt dan die legerwagen. Daar zat iemand op, op het spatbord met een geweer in de aanslag. Dat was de Schimmel, dat was een verzetsstrijder, want die kwamen toen omhoog natuurlijk hè. Die ging eerst naar onze buurman toe en die moest in de wagen gaan zitten. Toen gingen ze naar het huis tegenover. En die man die had wel mensen verraden, dus die had wel meegewerkt met de NSB’ers, maar die had zich niet in laten schrijven. Dus die docht, hij was al lang de bogaard achter z’n huis in gevlucht, en die docht mij zullen ze wel overslaan, maar ze sloegen hem niet over. Want Wim de Schimmel, die wist precies wat er aan de hand was. Ze gingen de bogaard in met een stel soldaten, Wim van der Velde met geweer, en toen vonden ze hem in de bogaard. En hij moest in de auto geladen worden. En toen gingen ze bij onze buurman ertegenover, Arie den Dekker, daar gingen ze ook naartoe en die moest ook afgevoerd worden. En toen zeg ik tegen mijn vader: “Zie de dat nou nie!? Ze laaien ze allemaal op! Ge zijt zo aan de beurt, ziet dat ge wegkomt!” En mijn vader zegt: “Mijn hoeven ze niet, ik heb geen fouten gemaakt, mijn nemen ze niet mee.”


Jan Poes (Jan Vos)
“Mijn vader hebben ze nooit gevraagd dat ie tewerkgesteld moest worden. Waarschijnlijk omdat we zo’n groot gezin waren. En Jan Poes, dat was ook allemaal in diezelfde tijd, en meer, en die moesten dan tewerkgesteld worden. Want Duitsland had mensen nodig. Die mensen moesten afgevoerd worden en die moesten dus op de trein. Ze hadden een heel stel bij elkaar. En dan hadden ze die Jan Poes en een Branderhorst uit Genderen, die hadden ze ook opgeladen. Die werden in Utrecht op de trein gezet en ze moesten naar Duitsland vervoerd worden om daar tewerkgesteld te worden.”

“Ze hadden met een stel afgesproken, als de trein goed en wel rolt, dan springen we eruit, want we gaan daar niet heen om tewerkgesteld te worden. En er waren er meerdere die zich dus daarbij aansloten. Maar uiteindelijk zijn er maar twee uitgesprongen en dat was Jan Poes en Branderhorst uit Genderen. En toen was de trein goed en wel aan het rollen, voorbij Utrecht en die zijn eruit gesprongen. En de rest die dus wel hadden gezegd we springen mee, die durfden niet, dus die zijn afgevoerd.”

“En toen zijn ze komen lopen, van voorbij Utrecht naar huis toe, naar Veen. En daar hebben ze drie dagen en drie nachten over gedaan. En ze hadden niks, ze hadden geen eten en geen drinken, dus ik weet niet hoe ze dat gedaan hebben. Ze zijn dood, dus ik kan niet meer praten met die mensen. Toen wist ik dat ook allemaal niet precies want anders had ik met die mensen kunnen praten hè. Maar ze hadden geen klompen meer aan hun voeten, want vroeger liepen ze op klompen, maar dat was allemaal weg.”

“En toen waren ze terecht gekomen in Aalst. Dus Aalst en Veen dat ligt tegenover elkaar hè en daar was een veerpont. En die veerpont was ingenomen door de Duitsers. En daar vlakbij die veerpont daar zat de veerman en dat was ook een Duitser. Dat was een beetje een oudere man. En van later horen zeggen was die man best een beetje soepel. Maar het was wel zo, hij mocht wel Duitsers overzetten, maar geen Hollanders. En toen waren ze in Aalst op de dijk en toen zeiden ze we zijn bijna thuis, want Jan Poes woonde ook precies aan het water weet je wel hè. En die Genderse zat er dan een beetje verder vandaan.”

“En toen zeiden ze: “Ja, maar dadelijk komen we bij de veerpont en dan moeten we overgezet worden en dan lopen we tegen die Duitser aan.” Hoe loopt dat af. Dat konden ze niet zeggen hoe dat dat afliep. Maar ze hadden afgesproken dat ie dan toch moest vallen. Maar ze komen daar en hij vroeg niks en zette ze over. Ze mochten naar huis, ze kwamen thuis.” Dik: “En anders hadden ze hem omgelegd?” Maar: “Dat hadden ze afgesproken. En Jan Poes had het gedaan. Want dat was echt niet zo’n zacht eitje hoor, nee, nee. Goed gekend heb ik hem.” Dik: “Dat is de opa van Sandra, waar hij het nu over heeft.” Maar: “Gij kunt het nog een beetje belichten.”

Kreupele Betje
Die soldaten zaten allemaal ingekwartierd. “Bij ons thuis, om de tafel, ’s middags, zaten Duitsers mee te eten. En ge moest voorzichtig zijn, want anders schupten ze oe tegen oewe… En daar kon niemand iets over zeggen.”

Daarmee komt Maar op een volgend verhaal.

“En dat moet ik ook nog eventjes vertellen, van een vrouwke uit Veen. Betje Duijzer, kreupele Betje. Die had een groot boerenhuis wat er nu nog staat. En die zaten achter te wonen en voor in de kamer, een grote kamer, daar zaten de Duitsers. Want dat eisten ze gewoon op hè. Je had nog geluk als je gewoon achter kon blijven zitten. Dat was een diepgelovig vrouwke en in de winter, de kachel die brandde en die komt zondag ’s morgens… En dan bracht zij ze ook nog voedsel, want daar moest je ook voor zorgen. En ze loopt van achter vandaan naar die Duitsers toe, want ze gingen toch redelijk goed met elkaar om anders was het ook geen leven. En die zaten kaart te spelen, voor in de kamer, die Duitsers. En zij zegt: “Kaartspelers en dobbelaars die worden in de hel verwacht.” Dat zei dat vrouwke, tegen die Duitsers. En ze grist de kaarten van de tafel af en ze vat de ring van de kachel en ze gooit ze erin.” Dik: “Ja, dat was toch een hele daad bij die Duitsers.” Maar: “En er was niemand die er iets van zei.”

Dik: “Maar ons moeder, bij ons thuis waren er ook Duitsers, ons moeder kon er ook wel mee omgaan.” Maar: “Ja.” Dik: “Maar bij ons moeder kwamen ze ook nog wel eens, dat ze wouden toch een keer de varkens komen ophalen bij ons thuis?” Maar: “Ja en koeien, die gingen ze ook bij de boeren ophalen en varkens ook hè. Maar wat zin ze; dat ze ziek waren.” Dik: “Ik wit niet wat ze zin, ze zin altijd dat ze het niet wist.” Maar: “Ja, dat was met erepol rooien. Maar met die varkens zin ze dat ze TBC hadden. En koeien kwamen ze ook ophalen. Bij Letta thuis wilden ze ook een koe ophalen om te slachten, maar dan zinne ze, ze hebben allemaal tongblaren. Dat was een akelige ziekte en daar waren ze bang van. En dan gingen ze weer. En ze trapten daar elke keer weer in, want dat konden ze niet bewijzen.”


Verzetsstrijders
“Dat was een hele groep van een man of zeven, acht. Die gingen dan soms met een roeibootje varen ’s nachts, mensen wegbrengen en Joden beschermen. En er was eens een Duitser en die was het Duitse leger beu, want die zag het aan dat het nie zo goed ging. En die sloot z’n eigen aan bij die verzetsstrijders. En die had daar het vertrouwen gewonnen, van die verzetsstrijders. En die verzetsstrijders die hadden ook weer profijt van hum. Want hij kon informatie inwinnen. En hij kon zeggen van denkterom dan en dan, dan motte dus daar en daar in ieder geval nie komme. Dat ging in eerste instantie goed, want het zag er zwakjes uit toen hij over was gegaan.
Toen heeft Hitler het leger weer nieuw leven ingeblazen, in ieder geval hadden de Duitsers weer veel versterking gekregen. En toen kreeg ie weer moed. En toen ging ie terug naar de Duitsers. En toen heeft hij al die verzetsstrijders, die heeft hij verraaien. En die zijn allemaal afgevoerd. En die zijn in Utrecht, op het Wolvenplein zijn ze allemaal gefusilleerd.* En dat waren allemaal Veense. Daar is nu nog een graf van, een apart graf, van die verzetsstrijders.”


* Op 8 maart 1945 op fort De Bilt bij Utrecht

Maar is altijd gelukkig geweest met het feit dat zijn vader geen NSB’er was.

Post Views: 317



auteur

Miranda




laat een reactie achter


Gerben Vos
5 mei 2026 at 16:22
Reply

Goedemiddag,
Wat een indrukwekkend verhaal.
Jan Poes is mijn opa.
Zou het mogelijk zijn dat ik dit verhaal zou kunnen krijgen om te bewaren?



Geef een reactie Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *





© 2009-2026 Miranda Timmer Fotografie