Agaath Visser • 07-08-1933
Op 8 april 2026 ga ik op bezoek bij Agaath Visser uit Huizen. Ze vertelt me dat ze is geboren in Amsterdam op 7 augustus 1933 en op het moment van schrijven heeft zij de leeftijd van 92 jaar.
Haar kleindochter Esperanza is er ook om naar de verhalen te luisteren.

Hoe de oorlog begon
Agaath is opgegroeid in Amsterdam en woonde in de Keizersstraat. Ze keek uit op de Nieuwmarkt, op gebouw De Waag. Ze weet nog goed, ze was toen zes, bijna zeven jaar oud en woonden in een achterhuis. Dat was goedkoper als een voorhuis, wat inhield dat ze aan de achterzijde van het gebouw woonden (je had een voorhuis, dan keek je uit op de straat en een achterhuis, dan keek je uit op de achtergevels van andere gebouwen). Ze sliepen bij elkaar en werden ineens allemaal wakker door geronk, ze hoorden zwaar geronk. Haar moeder, zo dun waren die wanden, klopte op de muur en riep naar haar buurvrouw: “Fok, Fok!” Want zo heette zij, want ze kwam uit Friesland. “Wat is dat, weet jij dat?” “Ja, ik denk dat er oorlog is.” “En inderdaad, het waren de Duitsers die kwamen overvliegen, midden in de nacht om ons te bezetten. En de volgende dag waren we bezet.”
Ze woonde daar met haar ouders en haar broertje Bennie, inmiddels overleden.
Als kind had ze nog niet zo door dat er oorlog was. “Dat wist je van horen zeggen. Je was bezet, het was zo, je moest ermee leven. Er liepen Duitsers op straat, in uniform.” Agaath ging gewoon naar school, dat kon gewoon. Toen woonden ze op Kattenburg. Ze weet nog goed dat ze voor het eerst naar school ging en dat haar vader haar bracht. “Dat was allemaal goed en prima. Ik weet nog wel, dat had niks met de oorlog te maken, we woonden op Kattenburg en dan had je over het bruggetje Wittenburg, ik zat daar op school. En ik weet nog dat bij Wittenburg, daar stonden allemaal jongens en Kattenburg, waar ik woonde, ook jongens en die gingen dan vechten met elkaar. Dus dat was eigenlijk een klein oorlogje.”
In de oorlog
Ze hebben ook in de Marnixstraat gewoond, in de Keizerstraat en later in de Amstelstraat. Toen ze in de Keizerstraat woonden, dat was een Joodse buurt; “Ik had Joodse vriendinnetjes en op een gegeven moment, in 1942 dacht ik, werden die allemaal weggehaald en ik heb ze nooit meer teruggezien. Dus die zijn waarschijnlijk allemaal vergast. En dan hadden wij op het hoekje in de Keizerstraat een heel klein kruidenierswinkeltje. Daar was een Joods echtpaar, ze hadden geen kinderen. Ze heetten familie Cardoso. En Cardoso is echt een Joodse naam. En die werden ook weggehaald door de Moffen en de volgende dag hebben ze die hele winkel leeggeroofd. Eten, alles eruit gehaald totdat het helemaal leeg was. En als kind zie je dat, je staat erbij en je kijkt ernaar en het gebeurd gewoon. Ik ben daar nog wel even binnen geweest, maar ik heb geloof ik niks gestolen.
“Waar wij woonden was er tegenover ook een Joods schooltje, daar hebben ze ook alles uit geroofd. Alles werd geplunderd, want er waren veel arme mensen.”
“In het begin hadden we nog wel redelijk goed te eten, maar later niet meer. Want ik weet nog van de hongerwinter. En in Amsterdam is die hongerwinter heel erg geweest. Want de kant van Arnhem was al bevrijd maar wij niet, dus wij hebben die hongerwinter nog gehad. Mijn vader hoefde niet in dienst denk ik, dus die ging eten halen met zo’n handkar. En dan ging hij helemaal naar het dichtstbijzijnde boerenplaatsje, lopend, en dan kocht hij eten of wat dan ook. Ruilen werd er ook gedaan. En dan kwam hij terug met een kar met groenten en aardappels enzo. En toen hebben we even te eten gehad. Hij ging een tweede keer en toen is hij niet meer teruggekomen. Toen is hij opgepakt door de Duitsers. Mijn moeder zat ineens met drie kinderen. En dan had je wel de gaarkeuken, maar we gingen ook bedelen in de rijke buurt. Dan belden we aan bij verschillende mensen en dan hadden we bijvoorbeeld twee of drie boterhammen opgehaald en dan hadden we weer wat te eten. Dat smaakte dan geweldig als je dat kreeg. Helemaal niks hadden we praktisch meer.”
“We hadden ook geen verwarming, alles was koud in huis. We lagen vaak in bed. En ik weet nog wel dat ik zelf zo ziek was, dat ik op bed moest liggen omdat ik niet genoeg te eten kreeg. En ik vind het een wonder dat ik nu nog deze leeftijd heb bereikt. Dat ik die oorlog heb overleefd. Het was een aanslag op je lichaam en het had voor mijn gevoel niet een maand langer moeten duren, dan had ik er echt niet meer geweest. En mijn broertjes en mijn moeder ook niet denk ik.”
“Ik weet nog toen we bevrijd werden en ik met mijn moeder in de Kalverstraat liep, de winkelstraat van Amsterdam, bij de Dam. Het was altijd druk daar. En toen liep daar een Canadees en die ziet mij en die komt naar mij toe en die geeft mij een boterham, midden in de Kalverstraat. Nou, een witte boterham, een hele boterham, dubbel, ik vergeet het nooit meer. Nou dat was, dan had je te eten weet je wel. Dat was gewoon heerlijk. Dat brood smaakte als cake, zo lekker. Moet je je eens indenken hè, gewoon brood.”
“Na de oorlog is mijn vader pas teruggekomen. Toen was de oorlog afgelopen en hij was er weer. Hij had het gelukkig overleefd bij de Duitsers. Hij heeft moeten werken. Ik heb niks aan hem gemerkt dat hij daar een trauma aan over heeft gehouden, hij was een vrolijke man, maakte grapjes. Jammer genoeg zijn mijn ouders na de oorlog toch gescheiden, de exacte reden weet ik niet, maar de oorlog zal er wel aan bijgedragen hebben. Mijn moeder had een ander, zo was het.” Grapt ze. “Maar dat is bijzaak. Misschien is dat gebeurd toen mijn vader weg was. Daar heb je als kind eigenlijk geen erg in.”

Houten blokken en kolen
“Ik weet nog wel, dat was ook wel bijzonder wat ik met mijn vader deed… In de Amstelstraat waar we woonden, daar reed de tram. En vroeger lagen er tussen de tramrails houten blokken. En die ben ik samen met mijn vader, na achten, want je mocht niet meer op straat na acht uur. In het donker, hij had een breekijzer, ging hij die blokken eruit halen en ik moest ze in een zak doen. Toen hebben we dat gestolen eigenlijk om hout te stoken, zodat we ons warm konden houden.”
“En, want we woonden bij de Kromboomsloot, en daar lagen kolenschuiten. Maar vanuit de Keizerstraat liepen we dus naar die brug, na acht uur als het donker was. En ik moest mee, ook weer met een zak en mijn vader. En dan liepen we eerst tot het midden van de brug, daar kon je schuilen. Daar zaten we te wachten, want er liep daar een Duitse soldaat de wacht. En die liep van de ene hoek van de straat naar het andere end. En als hij dan die kant op liep, dan renden wij gauw een stuk verder tot we op die schuit waren, op die boot waar kolen lagen. En als die Duitser weer deze kant op kwam, dan moest ik doodstil blijven zitten. En dan ging hij weer de andere kant op en dan gauw kolen in die zak. En dan weer wachten en dan hetzelfde ritueel, op het midden van de brug achter een bord schuilen en zo zijn we weer thuis gekomen. En dan hadden we een zakje kolen. Dat was… Dan konden we stoken want je had verder niks. Je doet die dingen om te overleven.”
Radio
Agaath heeft nog een vreselijk verhaal wat haar als kind echt heel veel heeft gedaan. Het was midden in de nacht, ze lagen te slapen, haar vader, haar moeder, zij en twee broertjes. Er werd ineens heel hard op hun deur gebonsd. Ze ramden de deur in en die Duitsers, het waren dus Duitsers, kwamen naar boven gerend en ze stonden midden in hun slaapkamer. Ze denkt dat het er drie waren, in uniform, met geweren. En die schreeuwden naar Agaath en haar familie in het Duits, ze verstonden er niets van. Die Duitsers keken in de rondte en dachten, “Hier is het niet.” Ze zochten naar een radio, ze liepen in de straat en hoorden een radio. Ze mochten als Nederlanders geen radio bezitten want ze mochten geen nieuws horen over wat er aan de hand was. Zij renden alle huizen in om te kijken waar het geluid vandaan kwam.
Het heeft Agaath heel erg veel gedaan en ze herinnert het zich nog heel goed. De radio was natuurlijk niet bij hun, maar ze gingen alle huizen in totdat ze de radio gevonden hadden. “Maar de angst als kind, dat je zomaar drie Duitsers daar ziet staan, in uniform, met een geweer, dat was verschrikkelijk.”
Schietpartij op de Dam • 7 mei 1945
“De oorlog was net afgelopen en mijn moeder was gek op films, dus we gingen naar de bioscoop. In de oorlog gingen we ook vaak naar de bioscoop, maar toen waren het alleen maar Duitse films. Er mochten geen Engelse films getoond worden.”
“Maar we gingen dus naar de film, ik denk twee dagen na de bevrijding want mensen vierden feest. Ik ging met mijn moeder naar de bioscoop op het Rokin. En we liepen het Rokin af richting de Dam en de Dam was vol met mensen, feestvierend allemaal. We liepen aan de zijkant van de Dam. Op de plaats waar nu het monument staat, die was er toen natuurlijk nog niet, dat was achter ons en we lopen daar en we horen ineens schieten. Heel veel knallen. En we keken om en ik zie daar op de tramrails een vrachtwagen staan met allemaal Duitsers erin, met geweren en die begonnen op al die mensen te schieten. Heel veel mensen zag ik zo neervallen. Er was een draaiorgel op de Dam en nog iets wat er stond en daar gingen die mensen allemaal achter liggen om beschutting te zoeken. En mijn moeder en ik renden gauw langs die huizen, rechtsaf de Nieuwendijk op. Je had links de Kalverstraat, rechts de Nieuwendijk en in het midden het Paleis en dan gingen wij meteen in een heel groot portiek staan van Woltering, een meubelzaak. En dan gingen we helemaal met z’n tweeën in een hoekje staan, want we waren bang. Er komt ook nog een Chinese man aan, die daar ook komt schuilen. Toen kwam er een Duitse soldaat met een geweer en die neemt die Chinese man mee. Hij ziet ons ook staan, maar laat ons gelukkig staan. We hebben toen echt een Engeltje op onze schouder gehad. Hij had ons ook mee kunnen nemen. Daarna zijn we gauw dat portiek uitgegaan en renden de Nieuwendijk over, zo richting ons huis. Want daar woonden we toen, in de Amstelstraat. Daar hebben we de laatste winter meegemaakt. We waren zo blij dat we thuis waren.”
“Later stond er een verhaal en foto’s in de krant en toen heb ik gereageerd, want ik vond het verhaal er niet goed in staan. Ze beweerden dat er geschoten werd van de hoek van de Damrak en Kalverstraat. Het zou kunnen dat daar ook vandaan geschoten is, maar ik liep daar en er was niks aan de hand en ineens was daar die auto met Duitsers en die begonnen te schieten.”
Esperanza: “Ik heb mij best wel in het verhaal verdiept en heel veel mensen weten er dus niet vanaf, maar er is dus een hele stichting opgericht, “Stichting Comité 7 mei.” Want er zijn daar best wel wat mensen overleden en volgens mij is er pas tien jaar geleden ook daar een los monument voor geplaatst met stenen op de Dam. Het is altijd van, 5 mei is Amsterdam bevrijd en niemand heeft het over het trauma van 7 mei. Het is gek dat er pas zo laat een monument voor is gekomen.” Agaath: “Wat goed dat je je daarin verdiept hebt lieverd.”

Agaath woonde in Amsterdam en Amsterdam was natuurlijk rijk aan Joodse mensen, dus ze heeft veel mensen zien verdwijnen. Van vriendinnetjes tot aan een gezin wat bij haar in de straat woonde. “Een stel met een baby en ineens waren ze weg. Je maakte het allemaal mee, maar je kon er niks tegen doen. Als kind keek je er anders tegenaan als een volwassene, het gebeurde gewoon.”
Dat bedelen vond Agaath heel erg, dat je dat moest doen omdat je geen eten had. Ze schaamde zich er een beetje voor, maar ze moest mee met haar moeder, ze had niks te zeggen als kind. “Je moest gewoon mee, want als je een kind bij je had, gaven mensen eerder te eten dan bij een jonge vrouw alleen. Later ben ik daar gaan werken, in die rijke buurt.”
Na de oorlog
“Omdat mijn moeder een andere man had, ik kon niet goed opschieten met die man, ging ik bij mijn oom en tante wonen. Een zus van mijn moeder, ze hadden geen kinderen. Vanaf mijn twaalfde woonde ik daar en heb ik een heerlijke tijd gehad. Zij lazen in de krant dat er een huis te huur was, hier in ’t Gooi, de helft van een villa. Dat vonden ze wel wat. Ik had al een vriendje, ik was denk ik zestien, zeventien jaar oud. Leren kennen van dansles en hij had een auto. Bijna niemand had een auto in die tijd en mijn pleegvader die zei vaak: “Die vent met die auto, wat moet je met die jongen.” Hij vond het maar niks. Maar hoe moesten ze nou naar Huizen komen vanuit Amsterdam? Nou mijn vriendje kon ons wel brengen, dat wilde hij wel. Toen zijn we daar naartoe gegaan en het was een leuke vrouw die dat verhuurde met haar man en kinderen. Toen hebben we dat de hele zomer gehuurd, van mei tot september zaten we daar.”
“En dan ging ik met de bus naar Amsterdam om te werken. En daar liepen drie hele leuke jongens, met donker haar. En ik had de keuze uit die drie jongens, want ze hadden alle drie een oogje op mij. Dus ik dacht, wat moet ik nou… én ik had een vriendje. Maar toen is het toch wat geworden met één en toen zei hun moeder: “Dit is de leukste en de liefste.” En toen heb ik het uitgemaakt met mijn vriendje. Maar het was allemaal nog niet zeker, je had gewoon een vriendje. En ik dacht, ik kan toch geen twee jongens aanhouden. En toen heb ik die Wim, zo heette ie, Wim de Wilde, ze hadden een rijwielfabriek, en dat heb ik toen uitgemaakt en ik zei: “Kom maar terug als ik achttien ben.” Want ik was zeventien. En inderdaad, maar ik had al stijve verkering. En ik werd achttien en ik liep op de Wibautstraat, ik liep vaak van mijn werk naar huis, en ja hoor, daar kwam een auto aan en daar kwam Wim uit. Hij kwam naar me toe: “Ja, je bent nu achttien.” Hij kwam zo dichtbij mij, maar ik zette een stap naar achter, want ik denk, hij gaat me zoenen en dan ben ik verloren. En toen zei ik: “Nou nee, ik heb verkering en daar blijf ik bij.” En toen is ie ook weggegaan. Maar dan had ik wel een rijk vriendje gehad hoor.” Grapt ze. “Maar ik heb het nu ook goed gehad, ik ging voor de liefde.”

“Maar we hebben wel acht en een half jaar verkering gehad, zo lang, want we konden geen huis krijgen. Er werden nieuwe huizen gebouwd hier in het dorp voor 16.000 gulden, dat was toen veel. Maar omdat we zo lang verkering hadden, hadden we acht jaar gespaard. Opa had 4.000 gulden en ik 2.000. 4.000 gulden aanbetaald, er bleef 12.000 over. Ik weet nog goed dat de bouwer zei: “Dat is niet veel.” Maar het was wel veel, want heel veel mensen hadden geld geleend van hun ouders om een huis te kopen, heel veel Philips mensen zijn hier toen ook komen wonen. Dus zodoende hebben wij daar een huis gekocht.”





























































laat een reactie achter